ZOEKEN Editie Jaar Locaties Partners Personen Orkesten & Ensembles Gratis Concerten
Editie14 Editie14  
Download programmagids editie 03
Pers: NRC / AD / Haagse Courant / Trouw

15:00 / Dr. Anton Philipszaal / Residentie Orkest / Een eeuw muziek / Reinbert de Leeuw, dirigent / Susan Narucki (sopraan) / Berio / Strawinsky / Kagel / Vivier
17:00 / Korzo / John Cage - Bespoken / Muziek: 6 Melodies for Violin and Piano - John Cage / Gerard Bouwhuis (piano) en Heleen van Hulst (viool) / Choreografie: Paul Selvyn Norton. Dansers: Jussi Nousiainen & Irena Mikeck / Steve Reich - If you forget me / Muziek: Triple Quartet van Steve Reich. EnAccord Strijkkwartet / Choreografie: Neel Verdoorn. Dansers: 3 (Korzo dansproducties)
20:30 / Theater de Regentes / De nieuwe Opera Academy met Greek van Mark Anthony Turnage / Productie: De Nieuwe Opera Academie (DNOA) / Ensemble van het Koninklijk Conservatorium / Hans Leenders, dirigent / Javier Lopez Pinon, regisseur
22:00 / TAG in de Foyer van het Paard van Troje / Gilad Woltsovitsch / Swinging Speakers - interactive sound installation 
22:30 / Paard van Troje kleine zaal / Dorrit Dijkstra en John Hollebeck
23:00 / Paard van Troje kleine zaal / New Dutch Electronics / PHONOCULT Met DJ´s Sander Baan, Branz en special guest / Diverse live acts als Mormo, Toktek, Gieskes, Unyx, DJ Radion. VJ mnk.



15:00 / Dr. Anton Philipszaal / Residentie Orkest / Een eeuw muziek / Reinbert de Leeuw, dirigent / Susan Narucki (sopraan) / Berio / Strawinsky / Kagel / Vivier
Eigentijdse muziek kent al decennialang een bevlogen ambassadeur. Dirigent, componist en pianist Reinbert de Leeuw mag bovendien graag een lans breken voor muziek die op de nominatie staat om vergeten te worden. Zoals het werk van de Canadese componist Claude Vivier (1948-1983), die droom en werkelijkheid verweeft in een unieke, kleurrijke en emotionele muziektaal. Orion, geschreven in 1979, wordt in dit concert omlijst met de muziek van Luciano Berio en Mauricio Kagel, twee bekende discipelen van de Darmstadt-school. Tot besluit klinkt het Divertimento uit de balletmuziek van Stravinsky's Le baiser de la fée.
Vivier - Orion
De meeste werken van de jong gestorven Claude Vivier bevatten een autobiografische component. Hoewel de Franstalige Canadees niet of nauwelijks naar concrete gebeurtenissen uit zijn bewogen leven verwijst, behandelt hij in zijn muziek een klein aantal thema’s die hem na aan het hart liggen: dood, liefde, onschuld, avontuur. In de woorden van Bob Gilmore: “Vivier componeerde onder andere om in contact te komen met een innerlijke belevingswereld: het was voor hem een manier om de confrontatie aan te gaan met pijn, het kwaad, verlatenheid en verlangen.”
In bijna al zijn composities geeft Vivier een hoofdrol aan een melodie, die zich net als een mens van vlees en bloed blijft ontwikkelen. Deze ontwikkeling is dan ook medebepalend voor het muzikale verloop. Het orkestwerk Orion uit 1979 is daar een schoolvoorbeeld van. De hoofdmelodie gaat in totaal door zes verschillende fases, die Vivier in zijn programmatoelichting als volgt benoemt: “presentatie van de melodie, eerste ontwikkeling van de melodie over zichzelf, tweede ontwikkeling van de melodie over zichzelf, meditatie op de melodie, herinnering aan de melodie en tenslotte de melodie over twee intervallen”. Vivier voegt hieraan toe dat de melodie zich op zichzelf projecteert, “zonder de muur van eenzaamheid te kunnen (willen) breken”.
In de openingsmaten klinkt de melodie in de trompetten, boven een fluisterzachte klankbodem van viooltremolo’s. Viviers keuze voor de trompet, “instrument van de dood in de Middeleeuwen”, weerspiegelt de gedachtewereld van de gekwelde componist. Ook tekenend is de titel van het werk, een verwijzing naar de constellatie Orion. De muziek van Vivier ligt op het snijvlak van verbeelding en werkelijkheid. Zo duidt de eeuwige terugkeer van de melodie in Orion op “de geschiedenis met een hoofdletter H, die nog steeds ongeduldig wacht op de terugkeer van haar verlossende heiligen en haar dictatoren.”
Drie jaar voor Orion had Vivier een eerste werk voor groot orkest gecomponeerd, Siddartha, waarin hij de musici in acht groepen over de ruimte had verdeeld. Siddartha bleek echter zo moeilijk in te studeren dat de geplande wereldpremière moest worden uitgesteld. In Orion koos Vivier wijselijk voor een conventionele plaatsing. Deze keer verliep alles volgens plan. De opdrachtgever, het Orchestre Symphonique de Montréal, verzorgde de eerste uitvoering onder leiding van Charles Dutoit op 14 oktober 1980.
Kagel – Andere Gesänge
Wie enigszins ingevoerd is in het kleurrijke oeuvre van de Argentijns-Duitse componist Mauricio Kagel, kan zich bij een titel als Andere Gesänge van alles voorstellen. Alles is namelijk anders bij Kagel, die in de loop der jaren een eigen muzikaal universum geschapen heeft, met groteske vondsten en bijzondere aandacht voor allerlei vormen van muziektheater. Hierbij steekt hij geregeld de draak met de gevestigde traditie. Zo laat hij voorafgaand aan Entführung im Konzertsaal (2000) verschillende musici ‘ontvoeren’, waarna de ontvoerder zich op het toneel meldt en telefonische gesprekken voert met de dirigent om uit de impasse te komen.
In dit licht valt er weinig schokkends te ontdekken in Andere Gesänge. Toegegeven, allerlei vocale technieken passeren de revue in deze vijf ‘Intermezzi voor sopraan en orkest’ uit 2002-2003. Maar voor de rest gaat het om een traditioneel werk voor het concertpodium, zonder provocerende bedoelingen.
Net als bijvoorbeeld Wagner heeft Kagel zijn eigen libretto samengesteld. Hij gaat niet uit van een meeslepend verhaal of een ontroerende legende, maar gebruikt een selectie van bestaande spreekwoorden. In zes talen, dat wel: Duits, Frans, Italiaans, Latijn, Engels en Spaans. Volgens Kagel gaat het om een volstrekt logische keuze: “Ik heb heel vroeg belangstelling gehad voor spreekwoorden, zelfs voordat ik wist dat ze me van dienst zouden zijn in mijn eigen werken. Het poëtische vernuft van de spreekwoorden brengt [mij] altijd in vervoering, ze dragen de volkswijsheid over met een vanzelfsprekende accuratesse.”
Elk deel van Andere Gesänge heeft een eigen thema, dat overeenkomt met de betreffende selectie van spreekwoorden. De vijf thema’s zijn achtereenvolgens lach, schipbreuk en engel, zintuigen, tijd en dood.
De sopraan draagt de verschillende spreekwoorden in de voorgeschreven talen voor. Dit gebeurt meestal zingend, maar soms ook, afhankelijk van de context, lachend, zuchtend of fluisterend. Enig acteertalent wordt ook verwacht van de soliste, die een enkele keer een naïef kind of een hysterische vrouw moet vertolken.

Michel Khalifa


Eindrucke | Luciano Berio
Het zou interessant zijn om eens het korte orkestwerk Eindrücke te laten uitvoeren zonder de naam van de componist erbij te vermelden. Waarschijnlijk zouden slechts weinige luisteraars raden dat deze strakke en compacte partituur uit de koker van de Italiaan Luciano Berio afkomstig is. Berio heeft zijn roem in de eerste plaats te danken aan experimentele vocale composities die een sterk theatraal component bevatten. In andere stukken, zoals de Sequenza-reeks, staat instrumentale virtuositeit centraal. Daarnaast verwijst zijn muziek dikwijls naar componisten uit voorbije tijden, van Schubert tot Mahler.
Niets van dit alles in de etude-achtige compositie Eindrücke, die Berio in 1973-1974 voor het Tonhalle Orchester Zürich vervaardigde. Het muzikaal materiaal blijft hier beperkt tot drie elementaire gegevens: op de voorgrond een boogvormig motief van de violen in arpeggio’s, snel stijgend en weer even snel dalend, op de achtergrond uitgerekte trillers die in verschillende registers door het orkest heen circuleren, en tenslotte ultrakorte, luide akkoorden die als onregelmatige stroomstoten voor een hinkende ritmiek zorgen.
Binnen dit enigszins abstracte raster ontvouwt zich een fascinerend spel van herhalingen en variaties, waardoor Eindrücke het karakter van een naargeestig ritueel krijgt. De vioolmelodie wordt gaandeweg breder, terwijl de trillers als een soort muzikaal behang gaan fungeren. Maar over het geheel genomen is absoluut geen sprake van ontwikkeling. Het statische verloop, gecombineerd met de extreme soberheid van het materiaal, doet denken aan de Amerikaanse minimal music, die in de jaren zestig en zeventig hoogtij vierde.
Tegen het eind heeft Berio toch één theatraal moment voor ons in petto. Een trilfiguur zwelt aan en brengt de muzikale nachtmerrie tot een climax. Volstrekt onverwacht klinkt dan een serene en lieflijke blazersmelodie. Te laat, want het stuk ebt al weg. Wil Berio ons hiermee laten merken hoe mooi het allemaal had kunnen zijn? Of voert hij te elfder ure goedaardige krachten ten tonele, die op de valreep de boze geesten weten te verdrijven? Hoe dan ook, met deze onverwachte ontknoping herinnert hij ons eraan dat zijn muziek zich niet in een hokje laat duwen.


Igor Stravinsky - Divertimento uit Le baiser de la fée
Als er ooit een componist is geweest die zich feilloos een bestaande stijl en de daarbij behorende compositietechnieken eigen kon maken, was dat wel Igor Stravinsky. Moeiteloos kroop hij in de huid van Machaut (Mis), Gesualdo (Monumentum), Bach (Koraalvariaties, Dumbarton Oaks), Pergolesi (Pulcinella), Webern (Movements), Broadway (Scènes de ballet) of de jazz (Ebony Concerto), zonder daarbij zijn eigen identiteit te verloochenen.
Ook met Tsjaikovski heeft Stravinsky zich uitgebreid beziggehouden. En bijna vanzelfsprekend waren het vooral diens balletten die hem interesseerden. Dat leidde in I921 tot een (ongepubliceerde) bewerking van twee gedeelten die Tsjaikovski uit zijn Doornroosje had geschrapt. Zeven jaar later ontstond een eigen ballet, Le baiser de la fée, op thema’s uit Tsjaikovski’s pianomuziek en liederen, en in 1941 arrangeerde hij nogmaals een gedeelte uit Doornroosje voor klein orkest (L’Oiseau bleu). Bovendien voltooide Stravinsky in de tussentijd het Capriccio voor piano en orkest, waarvoor, naast Praetorius, eveneens Tsjaikovski model stond. De opera Mavra, tenslotte, droeg hij op aan Glinka, Poesjkin en... Tsjaikovski. Eind 1927 werd Stravinsky’s uitgever benaderd door de danseres Ida Rubinstein, die plannen koesterde om een eigen balletgezelschap in Parijs op te richten, met het verzoek diens nieuwe ballet Apollon Musagète in het repertoire van de nieuwe groep op te mogen nemen. De Europese rechten voor dit werk behoorden echter aan Sergej Diaghilev toe, waarop Rubinstein aan Stravinsky opdracht gaf voor een nieuw ballet ter gelegenheid van de herdenking van de vijfendertigste sterfdag van Tsjaikovski. Mede dankzij een niet onaardig honorarium dat hem in het vooruitzicht werd gesteld, accepteerde de componist ‘niet alleen uit liefde voor Tsjaikovski, maar ook uit diepe bewondering voor het klassieke ballet, dat in zijn wezen door de schoonheid van zijn verhoudingen en de aristocratische strengheid van zijn vormen zo nauw aansluit bij mijn opvatting van kunst. In de klassieke dans zie ik de overwinning van de weloverwogen conceptie op vaagheid, van regel op willekeur, van orde op toeval.’
Sergej Diaghilev zag zijn belangrijkste huiscomponist niet graag ‘overlopen’ naar een concurrerend gezelschap. Zijn commentaar was eenvoudig: ‘Stravinsky, onze beroemde Igor, mijn eerste zoon, heeft zichzelf geheel opgegeven aan de liefde voor God en het geld.’ Een complete breuk tussen Diaghilev en de componist was het gevolg. Als basis voor het nieuwe ballet koos Stravinsky het sprookje Het IJsmeisje van Hans Christian Andersen, een schrijver wiens verbeeldingskracht volgens hem dicht bij die van Tsjaikovski lag. Twintig jaar eerder had Stravinsky Andersens sprookje De Nachtegaal omgewerkt tot zijn eerste opera Le Rossignol. Het IJsmeisje was echter een veel langer en gecompliceerder verhaal over een verdwaald jongetje dat door de ijsfee wordt gevonden. Zij kust hem op de hiel. Jaren later verschijnt de IJsfee opnieuw en weet het kind onder haar invloed te brengen. In het tafereel bij de molen verlaat hij zijn wereld en volgt hij haar naar haar rijk. Wanneer zij hem wederom op de hiel kust, is hij voor eeuwig in haar macht. Stravinsky zag in dit sprookje een allegorie op de persoon Tsjaikovski: ‘De kus van de fee op de hiel van het kind staat voor de kus waarmee de muze Tsjaikovski bij zijn geboorte markeerde — ondanks het feit dat de muze Tsjaikovski niet bij zijn huwelijk gevorderd heeft, zoals het bij de jongen in het ballet gebeurt, maar pas op het hoogtepunt van zijn loopbaan.’
Stravinsky besloot het ballet te baseren op pianomuziek en liederen van Tsjaikovski; werken die een onbekende kant van deze componist vertegenwoordigen. Maar, hoewel de muziek van Tsjaikovski de basis voor dit ballet vormde, assimileerde Stravinsky zich zo zeer met diens stijl, dat het geheel onmiskenbaar Stravinskiaans klinkt. De componist zou zich later nog maar met moeite weten te herinneren welke werken van Tsjaikovski hij had gebruikt en welke muziek hij zelf had geschreven.
In 1934 distilleerde Stravinsky een vierdelige suite uit de partituur van het ballet, waaraan hij de naam divertimento gaf. De eerste drie delen (sinfonia, danses suisses en scherzo) bevatten het grootste gedeelte van de eerste drie taferelen van het ballet (prologue, féte au village, au moulain en épilogue). Het vierde deel (pas de deux) is samengesteld uit de drie laatste nummers van het vierde tafereel (epilogue) met weglating van het eerste (entree)
De choreografie van het oorspronkelijke ballet zou aanvankelijk verzorgd worden door Michael Fokine. Maar tot opluchting van Stravinsky, die geen bewonderaar van deze choreograaf was, werd uiteindelijk Bronislava Nijinska hiervoor aangetrokken. De première op 27 november 1928 in de Parijse Opéra werd echter geen succes, volgens de componist omdat de choreografie niet constant op hetzelfde hoge niveau stond en hij niet in de gelegenheid was geweest op tijd hierop te reageren. Diaghilev gaf het ballet nog een trap na. Aan een vriend berichtte hij: ‘Ik kom zojuist terug uit het theater met een verschrikkelijke hoofdpijn als resultaat van alle verschrikkelijke dingen die ik heb gezien. Het ballet van Stravinsky was het enige nieuwe werk [...] Het is moeilijk te zeggen wat het voorstelde — slaapverwekkend, lachrymose, slechtgekozen Tsjaikovski, georkestreerd door Stravinsky op een zogenaamd meesterljke manier. Ik zeg ‘zogenaamd’, want het klonk drab en het gehele arrangement miste vitaliteit. [...]. Het theater was vol, maar een succes... Het was als een woonkamer waarin iemand plotseling een vieze geur afscheidt. Iedereen deed alsof hij het niet bemerkte en Stravinsky werd twee keer voor het doek geroepen.’
En met deze opmerking over Stravinsky’s Tsjaikovski-ballet maakte Diaghilev onwillekeurig de cirkel rond. Schreef Eduard Hanslick immers niet naar aanleiding van Tsjaikovski’s vioolconcert dat het hem op de gedachte bracht dat er geen muziek zou bestaan die kon stinken?
Ronald Vermeulen (archief RO)


Reinbert de Leeuw, geboren in 1938 in Amsterdam, studeerde piano en muziektheorie in Amsterdam en compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Kees van Baaren. Hij was nadien zelf als leraar verbonden aan het Koninklijk Conservatorium. Als pianist kreeg hij grote bekendheid door zijn interpretatie van de werken van Erik Satie. Als dirigent houdt hij zich vooral bezig met het uitvoeren van eigentijdse muziek. Hij was mede-oprichter van de Nederlandse Charles Ives Society (1968) en oprichter van het Schönberg Ensemble op dat onder zijn leiding grote roem heeft verworven met de uitvoering van het complete kamermuziekoeuvre van Schönberg, Webern en Berg. Voorts dirigeerde hij onder meer de première van Jan van Vlijmens opera Un malheureux vêtu de noir (1991) en is hij regelmatig gastdirigent bij de belangrijkste Nederlandse orkesten, ensembles en het Nederlands Kamerkoor. In 1992 was hij gastdirecteur voor het festival van Aldeburgh, Engeland en van 1994 tot 1998 artistiek directeur van het Tanglewood Festival. In 2001 werd hij benoemd tot artistiek adviseur en vaste gastdirigent voor hedendaagse muziek van twee Australische orkesten, het orkest van Melbourne en dat van Sydney. Van 2001 tot 2003 was hij artistiek directeur van de Zomeracademie van het Nationaal Jeugd Orkest in Oosterbeek. Sinds augustus 2004 is Reinbert de Leeuw hoogleraar aan de Universiteit Leiden voor 'uitvoerende en scheppende kunsten van de 19de, 20ste en 21ste eeuw'.
Reinbert de Leeuw publiceerde boeken bundels over muziek en maakte als componist naam met kamermuziekwerken en stukken voor grotere bezettingen, waaronder Hymns and Chorals, de opera Reconstructie, Abschied, en de opera Axel.
In 1992 werd hij onderscheiden met het 3M Muzieklaureaat, de grootste Nederlandse muziekprijs. In maart 1994 verleende de Universiteit Utrecht tijdens haar 358ste dies natalis een eredocto¬raat aan Reinbert de Leeuw voor zijn werk als pianist en dirigent van het Schönberg Ensem¬ble.


De Amerikaanse sopraan Susan Narucki beheerst een breed repertoire, van Bach en Mozart tot Andriessen en Crumb, en heeft in het bijzonder ook een reputatie opgebouwd als een van de voortreffelijkste ambassadrices van eigentijdse muziek. ‘A composer’s best friend, a new music interpreter of such intelligence, commitment and technical prowess that anything she sings takes on a radiant life’, aldus The San Francisco Chronicle. Zo was zij de afgelopen concertseizoenen te horen in premières van werken van onder anderen Skriabin, Kagel en Carter, vertolkte zij de rol van Pat Nixon in John Adams’ Nixon in China met het Los Angeles Philharmonic onder leiding van de componist, en zong zij in Stravinsky’s Les Noces met het San Francisco Symphony Orchestra onder leiding van Michael Tilson Thomas in Carnegie Hall. Vanaf 1991 is Susan Narucki regelmatig te gast geweest bij het Schönberg Ensemble en het Asko Ensemble, zowel in Nederland als op festivals in Parijs, Londen, Warschau, München en Wenen.
Susan Narucki maakte haar debuut bij De Nederlandse Opera in de rol van Catherina Bolnes in Writing to Vermeer, de spraakmakende coproductie van componist Louis Andriessen en regisseur Peter Greenaway. Eveneens bij De Nederlandse Opera vertolkte zij de sopraanpartij in Viviers Rêves d’un Marco Polo. Naast dit 20ste-eeuwse repertoire schitterde zij echter ook in opera’s van Scarlatti, Handel, Gluck en Ravel.
In minder dan twee jaar produceerde Susan Narucki elf cd’s, waaronder de Grammy Award-winnende opname van George Crumbs Star Child.


  
© Robert Benschop
17:00 / Korzo / John Cage - Bespoken / Muziek: 6 Melodies for Violin and Piano - John Cage / Gerard Bouwhuis (piano) en Heleen van Hulst (viool) / Choreografie: Paul Selvyn Norton. Dansers: Jussi Nousiainen & Irena Mikeck / Steve Reich - If you forget me / Muziek: Triple Quartet van Steve Reich. EnAccord Strijkkwartet / Choreografie: Neel Verdoorn. Dansers: 3 (Korzo dansproducties)

Paul Selwyn Norton - Bespoken
Music John Cage | performed by Gerard Bouwhuis (piano) and Heleen Hulst
(violin)

Concept: Gerard Bouwhuis, Heleen Hulst and Paul Selwyn Norton / choreography: Paul Selwyn Norton / composities: John Cage Six Melodies for Piano and Violin / performed by: Heleen Hulst, Gerard Bouwhuis / dance: Irene Mikec, Jussi Nousiainen / light design: Ellen Knops.

Bespoken is an initiative of no apology en Nieuw Amsterdams Peil and is the basis for a much larger dance conert planned for the 2007/2008 season. Bespoken is a co produced by no apology and Korzo producties

Neel Verdoorn – If you forget me …
Composition by Steve Reich live performance by the het EnAccord string quarteet

Choreography: Neel Verdoorn / dance: Simone Geiger, Yanaika Holle, Andrea Palombi, / music: Triple Quartet – Steve Reich / performed by: EnAccord String Quartet (Ilka van der Plas – violin, Ian van den Berk – violin, Rosalinde Kluck – alt violin, Mette Seidel – cello) / costumes: Ben Voorhaar / light designp: Bas Visser.


 

20:30 / Theater de Regentes / De nieuwe Opera Academy met Greek van Mark Anthony Turnage, opera in 2 actes / Libretto: adaptatie door Mark-Anthony Turnage en Jonathan Moore van Steven Berkoff's toneelproductie / Productie: De Nieuwe Opera Academie (DNOA) / Ensemble van het Koninklijk Conservatorium / Hans Leenders, dirigent / Javier Lopez Pinon, regisseur / Alex Brok, lichtontwerp / Sophie Ketting, vormgeving en kostuumontwerp


Alistair Shelton-Smith (bariton) – Eddy | Karel Ludvik (bariton) – Dad, Café Manager, Chief of Police
Eloise Routledge (sopraan) – Mum, Waitress, Sphinx | Rea Fueter (mezzo sopraan) - Wife, Doreen, Waitress, Sphinx

De Britse componist Mark-Anthony Turnage (1960) beleefde zijn doorbraak in 1988 met deze opera als ruige en gedurfde visie op het Engeland van Margaret Thatcher. Het verhaal is gebaseerd op een toneelstuk van Steven Berkoff waarbij de mythe van Oedipus werd ge-update naar het East End London uit de jaren tachtig. In de muziek combineert Turnage jazz met klassieke tradities en bestaan de dialogen uit zowel gezongen als gesproken tekst in een overdreven Cockney accent.
Het gebeurt niet vaak dat sociaal zwakkere lagen uit de samenleving de hoofdrol vervullen in een opera (aan het begin van de vorige eeuw bestond weliswaar heel kort de stroming van opera proletariana) en Berkoff/Turnage nemen bij het schilderen van dat deel van de samenleving geen blad voor de mond.

Mark-Anthony Turnage groeide op in Grays, een van de mistroostige Londense voorsteden, en kreeg op zijn vijftiende zijn eerste muzieklessen van Oliver Knussen. Hij studeerde daarna aan het Royal College of Music verder bij Knussen. In 1983 kreeg hij een beurs om naar Tanglewood in de V.S. te gaan waar hij studeerde bij Gunther Schuller en Hans Werner Henze. Deze laatste bestelde Greek bij hem voor de Biennale in München.
Ook de jazz had een belangrijke invloed op de ontwikkeling van de stijl van Turnage. Met veel van zijn werken betrad hij de wereld van Gil Evans en Miles Davis en het is duidelijk dat de vrijheden die dergelijke voorbeelden hem geven beter passen in zijn streven om de zorgen en angsten van het moderne stadsleven te uiten, dan het formalisme van de klassieke modernen.

De opera Greek heeft zich sinds de oeruitvoering (München 1988) door de briljante orkestpartijen, de krachtige en kleurrijke stijl van componeren in combinatie met het uitgesproken libretto een plaats weten te veroveren in het repertoire. Dat is nogal uitzonderlijk en pleit voor de zeggingskracht van het werk. Greek kan dan ook gekenmerkt worden als een van de belangrijkste hedendaagse opera’s.


Synopsis
Eddy verneemt van zijn vader dat een oude waarzegger hem voorspeld heeft dat zijn eigen zoon hem zou vermoorden en vervolgens zijn moeder zou huwen. Eddy besluit het huis uit te gaan, komt terecht in straatrellen, vlucht een café binnen alwaar hij ruzie krijgt met de manager, die hij in een woordengevecht doodt. Vervolgens huwt hij de weduwe van de manager, die als serveerster in het café werkt. Ze zijn daadwerkelijk verliefd.
In het tweede deel, jaren later, blijkt het inmiddels goed te gaan met het stel. Eddy’s vader en moeder komen hem opzoeken. In de stad heerst nog steeds de pest en twee Sfinxen worden als de schuldige partij aangewezen. Eddy besluit de Sfinxen uit te dagen. De twee Sfinxen blijken echte mannenhaters te zijn, maar desondanks weet Eddy het antwoord op hun raadsel. De Sfinxen worden overwonnen en Eddy keert terug naar huis. Aldaar blijkt hoe de vork in de steel zit: Eddy is door zijn vader en moeder gered als klein kind, toen een recreatieschip te pletter liep tegen een mijn uit de Tweede Wereldoorlog. Eddy herkent het verhaal, want het is hetzelfde dat zijn vrouw verteld heeft over het kind dat zij verloren heeft bij dezelfde gebeurtenis. Aanvankelijk lijkt het lot zich te voltrekken zoals de Griekse mythe dat wil, maar op het laatste moment rijst Eddy op en houdt een pleidooi voor de liefde, in welke vorm dan ook.

Zoals in de klassiek Griekse tragedie gebruikelijk is, vertolken 4 zangers alle rollen. Zij sleuren het publiek mee van hooligan-café naar winebar. De voorstelling wil dan ook aandoen als een kroegentocht door een grote stad aan het begin van de 21e eeuw. Geweld, sex, alcohol, de standaard-elementen van een weekend stappen worden in het kader gezet van de Griekse mythologie. De omkering van de moraal van de Oedipus-mythe en de extreme vorm van de opera zullen zeker reacties oproepen over schuld, boete, ethiek en moraal.
Voor de vocale bezetting wordt samengewerkt met De Nieuwe Opera Academie onder leiding van Hans Leenders. De gekozen zangers zijn zowel vocaal als theatraal in staat de veeleisende partijen te vertolken. Zij worden aangevuld met een 4-tal slagwerkers van het Koninklijk Conservatorium die ritmische spreekkoren (ook theatraal) uitvoeren. De opera eist een fysieke, extreme speelstijl die bij wijlen sterk gestyleerd zal zijn.
Om zo wendbaar mogelijk alle verschillende locaties en sferen op te roepen, is gekozen om de voorstelling geheel zonder decor en rekwisieten uit te voeren, en die taak uitsluitend te leggen bij licht en kostuum-ontwerp. Voor de “realistische” rollen is de vormgeving geïnspireerd op de Urban Culture van nu, uitgelicht door straatlantarens, terwijl voor de mythische dimensie gebruik wordt gemaakt van elementen die verwijzen het klassiek Griekse treurspel (maskers en oudgriekse toneellaarzen of kothurnen).


Hans Leenders (1971) studeerde slagwerk aan het Rotterdams Conservatorium. Na zijn afstuderen in 1995 kreeg hij een vaste aanstelling als slagwerker bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Ook studeerde hij orkestdirectie bij onder andere Arie van Beek. Sinds 1997 is hij verbonden als hoofdvakdocent klassiek slagwerk aan het Rotterdams Conservatorium. In juni 1997 kreeg hij de ‘Anton Kersjes beurs’ voor jonge dirigenten uitgereikt, waarbij hij het Nederlands Kamerorkest dirigeerde. Sindsdien volgde hij masterclasses bij Ilja Moesin, Valery Gergiev en Jorma Panula.
In 1998 was Leenders finalist van het internationaal Kirill Kondrashin dirigenten concours. Een jaar later benoemde het Rotterdams Philharmonisch orkest hem tot assistent-dirigent. Sindsdien dirigeerde hij vrijwel alle Nederlandse beroepsorkesten.
In september 2001 maakte Hans Leenders grote indruk toen hij op zeer korte termijn Valery Gergiev verving tijdens een deel van het openingsconcert van het Gergiev Festival en tijdens een Matinee op de vrije zaterdag in het Concertgebouw, beide met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Publiek en pers reageerden enthousiast: “ Tovenaarsleerling redt Rotterdams Orkest “ kopte Trouw.
Nog dit seizoen (2006/2007) zal Hans Leenders zijn opwachting maken bij verschillende orkesten in Nederland en daarbuiten.


Javier López Piñón werd geboren in Barcelona en woont in Nederland, waar hij afstudeerde aan de regie-opleiding van de Amsterdamse Theaterschool. Hij regisseert opera en gesproken toneel en heeft gewerkt bij gezelschappen en producenten in binnen- en buitenland. Hij werkte samen met gerenommeerde dirigenten als Kenneth Montgomery (Così fan Tutte, L’Elisir d’amore en Il Trovatore voor Opera Northern Ireland) en William Christie (David & Jonathas en Thésée voor het Ambronay-festival). Hij is zeer actief in het creëren van nieuw muziektheater en heeft wereldpremières geënsceneerd van nieuwe werken van veelal jonge Nederlandse en Amerikaanse componisten.
Als specialist in 18e-eeuwse toneelspeltechniek geeft hij lessen en masterclasses aan de Theaterschool Amsterdam en bij Nederlandse toneelgezelschappen (Toneelgroep Amsterdam, Firma Rieks Swarte, Huis aan de Amstel). Hij is als hoofd drama verbonden aan De Nieuwe Opera Academie en geeft les aan de Theaterschool. In dat kader nam hij in 2002 en 2003 deel aan een uitwisselingsproject met de toneelschool van Pretoria. Sinds 1999 heeft López Piñón intensieve contacten met theatermakers in West en Zuid-Afrika. Zo heeft hij Madame Paradji uitgevoerd op de Ecole International de Théâtre du Bénin, in Cotonou, op een libretto van José Pliya en met muziek van Angélique Kidjo.


Alex Brok studeerde Theatertechniek aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Na zijn opleiding werd hij assistent lichtontwerper bij Henk van der Geest voor verschillende producties van het RO Theater in Rotterdam. In 1998 ging hij naar de Verenigde Staten waar hij les gaf in lichtontwerp aan Stanford University en ontwierp voor verschillende producties binnen de theaterafdeling van deze universiteit. Voor De Nieuwe Opera Academie ontwierp hij onder meer Le Nozze di Figaro, Satyricon/Ballo delle d'Ingrate, Die Zauberflöte, Dvê Vdovy, Alcina, Café l’exil déjà-vu, A Midsummernight’s Dream, Dido en Aeneas en Gianni Schicchi.


Sophie Ketting studeerde theatervormgeving aan de Hogeschool voor de Kunsten te Utrecht. Ze vertegenwoordigde de Hogeschool met haar ontwerp voor Les contes d’Hoffmann op de Praagse Quadriënnale. Voor de gekostumeerde performance In en Uit won ze samen met Marjan van Geene de eerste prijs in Central Studio’s. De kostuums werden later geëxposeerd in de Haagse Kunstkring.
Ze heeft gewerkt voor o.a. Art & Pro, Het Nationale Toneel, Theater Zwembad De Regentes, Flying Artwork, het Museum voor Moderne Kunst Arnhem en het Gemeentemuseum Den Haag. Voor De Nieuwe Opera Academie was ze verantwoordelijk voor ontwerp en uitvoering van de kostuums voor La Vie Parisienne, Alcina en Gianni Schicchi, Dido en Aeneas en Le Nozze di Figaro.


22:00 / TAG - Foyer Paard van Troje: SWINGING SPEAKERS | Interactive sound installation | 2006-2007


Swinging Speakers is het resultaat van een onderzoek naar geluid en ruimte, de architectonische eigenschappen van muziek en de relatie tussen muzikale vorm en de ruimte waarin het werk wordt uitgevoerd. Oorspronkelijk had het project de vorm van een performance, waarbij musici speakers door de lucht zwaaiden, boven de hoofden van het publiek, terwijl de muziek veranderde met de bewegingen van de speakers.

In deze installatie bepaalt de beweging de muziek en wordt het publiek uitgenodigd om het systeem te beïnvloeden door de speakers heen en weer te zwaaien of juist te stoppen. Doordat de objecten waar het publiek mee aan de gang gaat, verbonden zijn met de tijdsindeling van de muziek, kan het publiek zowel de fysieke beweging als de muzikale ontwikkeling tegelijkertijd beïnvloeden, als één geheel. Dit geeft de luisteraar totale controle over het systeem en een eigen, persoonlijke beleving van één en hetzelfde muziekstuk.

Gilad Woltsovitch (Israel, 1982) is opgeleid tot jazz-drummer en percussionist. Hij speelt als drummer bij de indie-rockband NiCad. Woltsovitch begon al in een vroeg stadium electronica te gebruiken bij het componeren van muziek. Hij studeerde af aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag op de afdeling Sonologie. Op dit moment studeert hij aan de Haagse Kunstakademie.
Woltsovitch wil met zijn kunst een denkproces op gang brengen, waarin de luisteraar, de kunst en de ruimte waarin zij elkaar ontmoeten, onlosmakelijk verbonden zijn.

Gilad Woltsovitch (Israel 1982) trained as a jazz drummer and percussionist and is now the drummer of the indie-rock band NiCad. He began integrating electronics into music composition at an early stage, which led him to obtain his BA in Sonology at the Royal Conservatory of the Hague. Currently enrolled in the ArtScience masters program at the Royal Academy of Arts in the Hague, Woltsovitch wishes in his art to trigger a thought process linking the spectator, the art, and the space in which they meet.


Generation Random: expositie van graphic design studio LUST in <TAG>

Tussen 12 en 20 uur heeft u vandaag de gelegenheid om langs te gaan bij <TAG> aan de Stille Veerkade. Daar is de expositie LUST: Generation Random te zien. Ter ere van de tiende verjaardag van grafisch ontwerpbureau LUST organiseert <TAG> in maart 2007 een maand lang verschillende activiteiten. Zeer bijzonder is de interactieve catalogus waarmee u door tien jaar design kunt reizen. In een geheel nieuwe manier van archiveren biedt de expositie niet zozeer een chronologisch overzicht, maar inzicht in het ontwerpproces zelf, waarbij succes en mislukken naast elkaar bestaan. Het systeem stelt het opslaan van data, de toegankelijkheid en de mogelijkheden tot uitwisselen en editen van deze data centraal - mogelijkheden die steeds belangrijker worden in dit digitale tijdperk.
Mike Rijnierse en Willem Marijs maakten voor deze expositie een speciale lichtinstallatie onder de naam LAB.

LUST: Generation Random is van woensdag tot zaterdag geopend van 12 tot 17 uur. Speciaal vandaag blijft de expositie voor bezoekers van Dag in de Branding 03 open tot 20.00 uur


22:30 / Paard van Troje kleine zaal / Dorrit Dijkstra en John Hollebeck


Jorrit Dijkstra (altsax, lyricon, analoge elektronica)
John Hollenbeck (drums, percussie, speelgoed)

Dijkstra (1953) en Hollenbeck (1968) spelen al sinds 1998 regelmatig als duo. Hun eerste album, Sequence (Trytone), werd vorig jaar zeer goed ontvangen door de pers. Dit intieme duo onderzoekt de kleine klankverschillen die de instrumenten mogelijk maken: boventonen, mircobeats, valse lucht, het geluid van kleppen en de verschillende raakvlakken van percussie-instrumenten. Tijdens die verkenningen worden de melodie en de groove echter nooit vergeten. Muziek van een zeldzame subtiliteit die

Dijkstra woont sinds 2002 in Boston. Hij is als saxofonist beïnvloed door Ornette Coleman, Paul Desmond en John Zorn. Hij studeerde bij Misha Mengelberg, Steve Coleman, steve Lacy and Lee Hyla. Hij gebruikt elektronica om zijn saxofoongeluiden te bewerken. Hij speelde met onder meer Gerry Hemingway, Anthony Braxton, Herb Robertson, Willem Breuker, Guus Janssen en John Butcher. Als componist schreef hij in opdracht van de Tetzepi Big Band, Kaida, Duo X en de Harvard Jazz Band.

Hollenbeck uit New York City combineert de swing van de jazz met ritmes van andere culturen en een bijzonder gevoel voor lyriek. Hij treedt op met Bob Brookmeyer, Tony Malaby, Fred Hersch, Cuong Vu en Meredith Monk waarin zijn melodische spel zowel in kleine als grote bands tot uiting komt. Hij is vooral als componist bekend geworden met werk voor grote bezettingen, koren, kamerorkesten en kleinere formaties in de VS en Europa. Het meeste van zijn werk is te horen op de labels Blueshift, Cuneiform, Omnitone en Intuition. Hij leidt daarnaast zijn eigen Claudia Quintet.


00:00 NEW DUTCH ELECTRONICS : Mormo | Gieskes | Unyx | Radion | Toktek | Vj MNK
New Dutch Electronix - Nieuwe electronica acts: van luisterelectronica tot breakcore.


Vanaf 00:00 uur vindt New Dutch Electronix plaats, een verzameling van nieuwe electronica acts die uiteenlopen van luister-electronica tot breakcore. New Dutch Electronix is een project van een aantal upcoming nieuwe electronica dance acts uit Nederland. De live-acts zijn verassend, nieuw en anders en laten zien dat electronica live niet altijd enkel één jongen is die op het podium achter zijn laptop mail aan het checken is. New Dutch electronix is live, interactief en dansbaar!

Live-acts:


Mormo - luisterelectronica in de trant van Richard Divine.
|Binnen het Nederlandse electronica landschap geldt Mormo (echte naam: Tomasz Kaye) als een vernieuwer. Door zelf software te ontwerpen maakt hij het mogelijk het proces dat leidt tot het maken van muziek een geheel eigen signatuur mee te geven: de muziek passeert een netwerk van processen en functies voordat de definitieve vorm wordt bereikt. Het resultaat: splinterende breaks en machinale ritmes gecombineerd met verleidelijke melodiën, passend binnen de electronische traditie maar met een unieke sound.


Toktek - improvisatie electronica, clicks & cuts met zelfgebouwde joysticks. Tom Verbruggen (Toktek) is een van meest actieve circuitbenders van Nederland, hij bouwt zelf een groot deel van zijn apparatuur uit oud electronisch speelgoed. Live brengt hij een mix van live ingespeelde samples gecombineerd met chaotische maar goed in het gehoor liggende ritmes. Een lust voor oor en oog.


Gieskes - gameboy-electro-b-boy
Gijs Gieskes is wat je noemt een echte wizkid. Al sinds zijn jeugd heeft hij een brede interesse in electronica. Sinds hij een studie aan de designacademie afrondde heeft hij zich dan ook bewezen als een veelzijdig en vernieuwend artiest op het gebied van electronica en muziek. Deze talenten kwamen goed van pas bij het duo Videohometraining, een samenwerking tussen Gijs Gieskes en Marieke Verbiesen. Videohometraining combineert zijn muziek uit oude gameconsoles met de pixel-art. Voorlopig hoogtepunt in die samenwerking is de poppenmusical The Sound Of Videohometraining, waarmee ze hun concept naar de podia van theaters brengt.
Als muzikant vind Gieskes aansluiting bij de wereldwijde Micromusic beweging, waarvan hij één van de meest complexe en fascinerende exponenten is. Hij trad onder meer op tijdens het Cross-Linx festival en op podia als Paradiso en Atak. Tijdens Lowlands 2005 gaf hij een workshop Muziek Maken Met Je Gameboy aan fanatieke festivalbezoekers.
Als circuitbender (het ombouwen van oud speelgoed en apparaten tot do-it-yourself muziekinstrumenten) is hij enig in Nederland. In de maand september van het huidige jaar geeft hij een aantal workshop circuitbenden in samenwerking met muzieklab Brabant.


Unyx - van electronix naar breakcore en terug.
Op het toppunt van de Breakbeat hype eind jaren negentig was Unyx een kleine sensatie in Nederland. Ze brachten verscheidene platen uit op het Djax-label en speelden op festivals als Metropolis en Popkomm (D). Sindsdien is er veel gebeurt met de band: Van de originele bandleden zijn er nog maar twee over, het contract met Djax is beeindigd en muziek is geëvolueerd tot een mooie eigenzinnige mix van electronix en breakcore.
Dat Unyx uit al dit sterker terugkomt is duidelijk voor wie recente optredens zag met oa. Venetian Snares in Atak en Funckarma in Doornroosje. Unyx brengt live een set die van minimale electronix evolueert tot compromisloze Breakcore. Alles er tussenin is eigenzinnig, tegendraads, scheef en fascinerend. Een veelbelovend nieuw begin


Radion - electro-Dj en drummer van Funkstorung, mede-eigenaar van esc.rec label. DJ Radion
Dj Radion aka Bart Folmer is een oude bekende in het Nederlandse electronica landschap. Zo was hij een van de mede-oprichters van Stanza-crew (vjs) en later onderdeel van vj duo Pixelpasta wat onder andere op lowlands en 5 days off hun werk liet zien. Als echte alleskunner is hij ook drummer (o.a. voor Funkstorung) en Dj in binnen en buitenland met name in t eclectisch en electro genre. In 2005 draaide hij o.a. een set tijdens het Lowlandsfestival.


Vj MNK - vormt ook een duo met Toktek maar Vj-ed ook solo, bouwt zijn eigen videomixers, maakt een combi van glitch met circuitbending.


Hyves Twitter
Pers Info Contact Archief Etalage Video Foto Shop