Festival Dag in de Branding trapt al op vrijdagavond af, met een wereldpremière voor groot orkest van Max Knigge. Hij componeerde Eliza May speciaal voor het Residentie Orkest. Daarnaast klinken in Amare ook het geliefde pianoconcert van Grieg, met Antti Siirala als solist, en de zelden uitgevoerde Zesde symfonie van Sjostakovitsj. Op de bok staat dirigent Daniel Raiskin.
Knigge: Eliza May
Max Knigge is een van de grote compositiebeloften van zijn generatie. Zijn werk was al eerder in Dag in de Branding te horen, maar nog nooit in zo’n grote bezetting. Eliza May is genoemd naar de hoofdpersoon uit de roman Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje, de grootste literaire hit van de laatste jaren. Eliza May Drayden is geïnspireerd op Emily Brontë, de schrijfster van de klassieke roman Wuthering heights. “Ik was helemaal gegrepen door de mysterieuze en fascinerende wereld rondom het personage Eliza May Drayden en ik heb geprobeerd de kleuren, mysteries, karakters en motieven te vangen in muziek,” zegt Knigge.
Daanjes roman is een literaire tour de force, en Knigge beperkte zich in zijn toonzetting bewust tot een handvol scènes. Het eerste deel, ‘Brow Brown Hill’, gaat over de heuvel nabij het dorp waar Eliza May haar leven doorbrengt, die geassocieerd wordt met het hemelrijk. De titel ‘Zussen, spel & personages’ spreekt voor zich: dit tweede deel gaat over Eliza May en haar zus, en het idee van sociale interactie als een vorm van rollenspel. ‘De postkantoor’ is de plek waar de dorpelingen roddels uitwisselen en hun wereldbeeld bijschaven. Het vierde deel is vernoemd naar de tijdens haar leven verguisde roman die Eliza May heeft geschreven, het latere cultboek ‘Haeger Mass’. Het slotdeel, ‘Het weefgetouw’, gaat over fabrieken in de textielindustrie waar onder mensonterende omstandigheden gewerkt werd; zo staat het helse slot tegenover het hemelse openingsdeel. De vijf delen worden aangesloten gespeeld.
Grieg: Pianoconcert
Grieg had een duidelijk model toen hij als vierentwintigjarige dit vroege meesterwerk componeerde: het Pianoconcert van Schumann. Niet toevallig staan beide pianoconcerten in a mineur, en hebben beide omvangrijke hoekdelen en een relatief kort middendeel. Net als Schumann begint Grieg met een knal, in zijn geval voorafgegaan door een beroemde aanzwellende paukenroffel. Na een statement van dalende piano-octaven volgt het tamelijk ingetogen eerste thema en ontspint zich een muzikaal betoog dat voortdurend onder hoogspanning staat. Het mondt uit in een machtige solocadens, met daverende octaven en virtuoos over het klavier zwierende notenguirlandes, maar toch vooral een overwegend bezonken toonzetting. Lyriek en emotionele zeggingskracht winnen het bij Grieg van spierballenvertoon.
Dat geldt in verhevigde mate voor het korte Adagio, waarin de invloed van volksmuziek doorklinkt. Zwoele strijkers bereiden de weg voor het pianothema, dat als een zangvogel naar grote hoogte stijgt. Het zingende middendeel gaat zonder pauze over in de finale, die begint met een energiek stuiterende dans. Het gaat om een ‘halling’, een Noorse volksdans in tweedelige maatsoort die Grieg nog vaak in zijn werk zou gebruiken, onder meer in zijn toneelmuziek Peer Gynt. Ook dit slotdeel kent introspectieve momenten, zoals het heerlijk breed uitgemeten lyrische tweede thema, waarbij Grieg prachtige kleuren aan het orkest ontlokt. De slotsequentie bezit een koninklijke grandeur.
Sjostakovitsj: Zesde symfonie
Na het succes van zijn Vijfde symfonie (1937) stond Dmitri Sjostakovitsj voor een dubbele uitdaging: opnieuw een werk schrijven dat in de smaak viel bij ‘het volk’ en de Partij, maar dat ook diepzinniger zou zijn, juist minder ‘populair’ en conservatief. Dat was geen vrijblijvende uitdaging, want met zijn Vijfde had de componist zich net gerehabiliteerd, nadat hij bij het communistische regime in ongenade was gevallen. Aanleiding: een vernietigende recensie in de krant Pravda van zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk (1936), waarvan men fluisterde dat Stalin zelf het stukje had gepend. In die levensbedreigende periode werkte Sjostakovitsj aan zijn vooruitstrevende Vierde symfonie, die ongespeeld in een la belandde, aangezien een uitvoering onder die precaire omstandigheden best eens zijn vonnis had kunnen bezegelen. Voor zijn Vijfde koos hij daarom, met succes, een andere koers. Hij kon weer opgelucht ademhalen.
Maar hoe begin je na zulke stressvolle jaren een nieuwe symfonie? In Sjostakovitsj geval: met een groots en uitgesponnen Largo dat bol staat van melodische inventiviteit en, als je het wilt horen, onderhuidse spanning. Zelf zei Sjostakovitsj dat hij gevoelens van ‘lente, vreugde en jeugd’ wilde uitdrukken – maar ondertussen verdwenen links en rechts collega’s en familieleden in strafkampen. Na het monumentale langzame openingsdeel, dat bijna twee derde van de symfonie beslaat, volgen twee relatief korte delen die barsten van al dan niet ironische levenslust, een Allegro en een Presto. Daardoor heeft de onorthodoxe symfonie wel iets weg van één groot crescendo. De harmonische taal sluit aan bij Moessorgski, maar de ongewone structuur roept de symfonische vormexperimenten van Mahler in herinnering.