18:00
Gemeentemuseum
Met een bezoek aan de Rothko tentoonstelling en een inleiding door Raaijmakers-kenner Kees Tazelaar
18:00
Gemeentemuseum
Met een bezoek aan de Rothko tentoonstelling en een inleiding door Raaijmakers-kenner Kees Tazelaar

Vier Fanfares (tape) is een op zichzelf staand werk van Dick Raaijmakers. Maar dat is niet altijd zo geweest. Als we de geschiedenis ervan bekijken zien we dat het een overblijfsel is van een groter geheel: De Promenair van Mondriaan, een spraakmakend project dat door Raaijmakers in 1995 op het Koninklijk Conservatorium werd gerealiseerd: een virtuele realisatie van Mondriaans plannen voor een ‘neoplastische’ muziek.

De kern van wat in de dertiger jaren van de vorige eeuw door figuren als Karel van Goeyvaerts (ontwikkelaar van het serialisme) en na de tweede wereldoorlog door prominenten als Karlheinz Stockhausen en Pierre Boulez (ook theoretisch) is uitgewerkt, werd in 1924 in nummer IV van het tijdschrift De Stijl door Mondriaan al als theorie gepubliceerd – en door van Domselaer in zijn onvolprezen experiment Proeven van Stijlkunst op muziek gezet. Mondriaan was in het bijzonder op zoek naar een tussenvorm, een (overgangs) gebied tussen muziek en beeldende kunst (het gebied waar Dick Raaijmakers later als geen ander zijn unieke stempel op zou drukken): de ‘neoplastische muziek’. Bedoeld werd een nieuwe, (ook te visualiseren) concrete en zakelijke vorm van muziek, die gegenereerd zou moeten worden door twee ‘velden’: een veld mét en een veld zónder een te reguleren toonhoogte. Daarbij genereerde het veld mét regulatie drie ‘tegengestelde klankkleuren’: rood, geel en blauw. Het veld zonder regulatie genereerde de kleur(toon)loze ‘schaduwakkoorden’: zwart, grijs en wit. Het overheersende principe voor beide velden was dat het volume niet aangepast mocht worden. Horizontale en verticale omkeringen van de toonreeksen waren toegestaan, maar crescendi of tempowisselingen (Mondriaan noemde dit ‘diagonalen’) waren uit den boze.

In 1994 zijn deze opvattingen in De Promenair van Mondriaan in de praktijk gebracht. Met experimenele software werd Nummer 5 van Van Domselaer’s Proeven van Stijlkunst via een serie ruimtelijk opgestelde luidsprekers ver- en getoond. Om de statische en indringende aard van de rode-, gele- en blauwe- te benadrukken werden de originele pianoklanken van Nummer 5 vervangen door opnames van lang aangehouden trompet-, trombone -en tuba klanken. Om ook de schaduwakkoorden (wat Stockhausen Negativklänge noemde) te kunnen voortbrengen, ontwikkelde Raaijmakers zijn Vier Fanfares. Op de vraag of hij daarmee het voor het welslagen van De Promenoir beoogde doel ook wist te bereiken, geeft hij in een essay uit 1998 het volgende antwoord: “Terwijl de rode gele en blauwe tonen makkelijk en ruimtelijk waren te combineren, bleek dit met de schaduwakkoorden zo goed als onmogelijk te zijn.”

Naar eigen zeggen bevrijdde Dick Raaijmakers daarmee de Vier Fanfares uit De Promenoir – waarbij hij het antwoord op de vraag of ze in hun zelfstandigheid kunnen overleven, overlaat aan de luisteraar.

Bron: Guidebook bij ‘The complete tape music of Dick Raaijmakers’

In 1912 raakt de 22 jarige Jakob van Domselaer in Parijs bevriend met de 17 jaar oudere Piet Mondriaan. Geïnspireerd door wat Mondriaan in de schilderkunst voor elkaar heeft gekregen, neemt Van Domselaer zich voor om hetzelfde te doen voor de muziek. Tussen 1913 en 1916 componeert hij 9 composities met als titel Proeven van Stijlkunst – een titel die ondubbelzinnig verwijst naar de Stijl, de kunstbeweging (en het gelijknamige tijdschrift) die Mondriaan samen met kunstenaars als Theo van Doesburg en Bart van der Leck had opgericht.

De Proeven van Stijlkunst zijn de enige muziekstukken die volgens de principes van De Stijl zijn gecomponeerd. De eerste zeven delen van de cyclus zijn in 1916 in een uitgave van de Nieuwe Kring gepubliceerd. Met name de delen 4, 5, 8 en 9 worden gezien als equivalenten van een neoplastisch schilderij. Er heerst in deze muziek een ‘statische balans’. Geheel volgens de ideeën van Mondriaan ging het in deze stukken om het bereiken van “de essentie van de werkelijkheid” en “het natuurlijke van de verschijningsvorm” Van Domselaer zelf is van mening dat een componist op zoek moet gaan naar “het absolute, het eeuwige, het goddelijke”. In die opvatting is stilte een diepere werkelijkheid dan geluid. Stilte wordt gezien als een verticaal verschijnsel (het stilstaande), het toongeluid of een melodie als iets horizontaals (want dat speelt zich af in de voortschreidende tijd). Stilte is per definitie onhoorbaar, maar door een afgewogen verhouding tussen het verticale en het horizontale in de muziek (Van Domselaer noemt dit de tijdmaat) kan men een ideaal evenwicht verkrijgen, en wordt de stilte hoorbaar. Dit valt volgens van Domselaer te bereiken door de melodie op te heffen, toonladders te vermijden, en ritmes te reduceren. Akkoorden noemt hij ‘klankstollingen’. Met zijn quasi-chaotische ‘klankballingen’ wist hij elk spoor van melodie uit. Dat het publiek niet op deze nieuwe ontwikkelingen zat te wachten wordt duidelijk als Mondriaan in het Amsterdamse Concertgebouw een concert bijwoont waar Van Domselaer eigen werken speelt. Tijdens het concert ontstaat er onder het publiek de nodige commotie, waar Mondriaan op reageert met de woorden: “Ze snappen nergens iets van, ’t zijn hier stomme honden!“.

Ondanks het feit dat Van Domselaer en Mondriaan veel van de voor die tijd zeer radicale ideeën delen, verschillen ze op een aantal punten ook van mening. Op een gegeven moment zelfs zo sterk, dat Van Domselaar Mondriaan verwijt dat hij met zijn abstracties de natuurlijke verschijningsvormen verbreekt en ontbindt. Mondriaan daarentegen is van oordeel dat van Domselaer niet meer met beide benen op de grond staat, de tijd waarin hij leeft verloochent en alleen nog rekening houdt met de buiten-kosmische eeuwigheid. Dit gaat van kwaad tot erger – totdat Van Domselaer op een zomeravond in het Laren van 1916, na een langdurig gesprek met Mondriaan, er een punt achter zet en tegen hem zegt: “Dan scheiden zich hier onze wegen, Piet.”

De Materie, het monumentale muziektheaterwerk dat Louis Andriessen tussen 1984-89 componeerde, is ideeënopera, symfonie en muzikaal essay in één. Centrale thematiek is de dualistische relatie tussen materie en geest, ratio en intuïtie; concepten die ook ten grondslag liggen aan het derde deel van het vierluik, De Stijl (1985).

Welbeschouwd is De Stijl een soort scherzo dat zijn inspiratie vindt in de abstracte schilderkunst van Piet Mondriaan. Zo is de structuur van de muziek gebaseerd op de streng geometrische vormen van diens Compositie met rood, geel en blauw (1927). Anderzijds heeft ook de spontane energie van de boogie-woogie, razend populair in Mondriaans tijd, onmiskenbaar zijn sporen nagelaten in de partituur.

De ijzerenheinige dynamiek, die de ritmische, repetitieve noten van De Stijl kenmerkt, wordt nog eens versterkt door de stekelige bezetting van het werk: een zwaar versterkte big band, inclusief elektrische gitaren, synthesizers, boogie-woogie-piano en ‘heavy metal’ slagwerk, komen samen in wat Andriessen eens als het ‘verschrikkelijke symfonie-orkest’ bestempelde.

Raaijmakers’ compositie T-heo van V-elzen, een “Een proeve van retro spraak”, stamt uit mei 1986. Het is een bandopname van achterstevoren uitgesproken woorden en zinnen. Omdat de band ook achterstevoren wordt afgespeeld, klinken de achterstevoren opgenomen woorden en zinnen vloeiend en zijn ook goed te verstaan. De compositie werd gemaakt ter gelegenheid van het afscheid van Theo van Velzen als directeur van het Haagse Gemeentemuseum.

Do you want to stay up to date?
Subscribe to our newsletter!

You will receive news and offers about our programs regularly.
U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten