21:30
Dr Anton Philipszaal
21:30
Dr Anton Philipszaal

Met het kenmerkende gebeier van kerkklokken als verbindend element, brengen Toonkunstkoor Amsterdam en het Koninklijk Conservatorium een programma met hoogtepunten uit de Russische twintigste-eeuwse muziek.

Het concert begint met het luide gebeier van kerkklokken bij de kroning van tsaar Boris uit de opera Boris Godoenov van Moessorgski. De opera is typerend voor zijn oeuvre, en een sleutelwerk in de Russische muziekgeschiedenis.
Als componist was Moessorgski grotendeels autodidact. Hij is van groot belang geweest voor het modernisme – onder meer Ravel was een groot fan van zijn werk. Rimski-Korsakov, de leermeester van Stravinsky, was in die tijd veel beroemder en geliefder bij het publiek, maar Moessorgski was de meeste geniale Russische componist van zijn tijd. De opera Boris Godoenov is heel oorspronkelijk voor wat betreft de karakterisering van de hoofdpersoon en in de muzikale taal.

Boris Godoenov is een muzikaal volksdrama, een historisch epos én een schitterend voorbeeld van een negentiende-eeuwse nationalistische opera. Toch was de opera niet meteen een succes. In de zomer van 1870 leverde Moessorgski zijn werk in bij de directie van het Keizerlijke Theater te St.Petersburg maar het werd als onspeelbaar afgewezen omdat het te hoekig, te tegendraads en te ruw zou zijn. Moessorgski herschreef grote delen van het werk, maar pas in 1896, na de dood van de componist, publiceerde Rimski-Korsakov een gladgestreken versie, die wereldwijd een succes werd. Tegenwoordig wordt vaak teruggegrepen naar de oerversie, waarin het door noodlot geplaagde en onderdrukte volk in het middelpunt staat. De openingsscène van Boris Godoenov behandelt een belangrijk moment in de Russische geschiedenis. Boris wordt gekroond tot tsaar van het Russische rijk. De pompeuze majesteitelijkheid van de kroning contrasteert met de menselijke twijfels van de nieuwe vorst, een bij uitstek Russisch thema dat door Moessorgski meesterlijk in de muziek is verwerkt. Al tijdens zijn kroning voelt Tsaar Boris het onheil naderen. Hij wordt echter overstemd door bellen, kerkklokken, orkest en bovenal het volk, dat luidkeels zijn nieuwe tsaar bezingt. Een ware orkaan van geluid wordt de zaal in geslingerd.

Igor Stravinsky was een van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in Rusland maar bracht een groot deel van zijn werkzame leven buiten Rusland door, in een zelfgekozen ballingschap: in 1934 kreeg hij de Franse nationaliteit en in 1945 werd hij tot Amerikaan genaturaliseerd. In zijn werk speelt het verlangen naar thuis en de zoektocht naar zijn Russische identiteit vaak een grote rol.

In Les Noces (‘De Dorpsbruiloft’) is Russische folklore het onderwerp – niet op een sentimentele, nostalgische manier maar zeer gestileerd, zodat de bonte taferelen als het ware van een afstandje onderzoekend worden bezien. Les Noces is een ‘danscantate’ in vier doorlopende delen op basis van Russische volkspoëzie. Het wordt beschouwd als een sleutelwerk uit Stravinsky’s zogenoemde ‘Russische periode’ (1914-1920), toen hij steeds meer voor klein bezette ensembles ging schrijven in plaats van voor groot orkest. In het werk klinken ook traditionele melodieën uit de Russisch orthodoxe liturgie door.

Het thema van Les Noces is een gedramatiseerde boerenbruiloft, waarbij een dramatische weergave van de bruiloftrituelen wordt getoonzet via flarden conversatie, liedcitaten en ander materiaal. Door deze opzet lukt het Stravinsky om de gebeurtenissen te depersonaliseren. De conversatieflarden volgen elkaar op als een doorlopende ‘stream of consciousness’ zonder dat er een logisch opgebouwd gesprek uit ontstaat.

De zangers spelen ook verschillende rollen in het verhaal. De sopraan is in het eerste tableau het bruidje Natasja, in het vierde de gans; de tekst van de bruidegom Fetis wordt door de tenor gezongen, als echtgenoot wordt hij later vervangen door de bas. De instrumentatie van Les Noces veroorzaakte voor Stravinsky meer problemen dan welk van zijn latere werken ook. Er is een oerversie uit 1917 voor grote bezetting met vol orkest plus solisten en koor. Die werd al snel verworpen. In 1919 dacht Stravinsky, mede uit praktische overwegingen, aan een klein ensemble gecombineerd met een mechanisch instrument: een pianola (mechanische piano) naast een tweemanuaals harmonium plus xylofoon, divers slagwerk en twee cimbaloms. Terecht vreesde Stravinsky dat de synchronisatie van mechanische en niet-mechanische muziek tot onoplosbare problemen zou leiden.

Drie maanden voor de première in Parijs in 1923 legde Stravinsky zich definitief vast op een bezetting van vier piano’s, pauken en slagwerk omdat “zo aan al mijn voorwaarden kon worden voldaan. Het zou tegelijkertijd volmaakt homogeen, volkomen onpersoonlijk en volmaakt mechanisch zijn.” Voor de verdere invulling zorgt een vierstemmig koor en vier solisten. Toonkunstkoor Amsterdam zingt Les Noces in de Franse vertaling van de Zwitserse, Franstalige schrijver Charles-Ferdinand Ramuz. De samenwerking tussen Stravinsky en Ramuz (die ook het libretto schreef voor l’Histoire du Soldat) leidde tot een zeer hechte vriendschap, versterkt doordat Ramuz moest uitgaan van de oorspronkelijke Russische teksten van de volksvertelling van Alexander Afanasiev, maar geen Russisch sprak en zich volledig op Stravinsky’s letterlijke vertalingen moest baseren.

Toonkunstkoor Amsterdam koestert een speciale band met The Bells van Rachmaninov. Rachmaninov droeg het werk op aan Willem Mengelberg, het Koninklijk Concertgebouworkest en het Amsterdamse Toonkunstkoor. Het werk ging op 22 december 1923 in Het Concertgebouw in première ter gelegenheid van Mengelbergs 25-jarig jubileum als dirigent van het koor. The Bells is een mooi en dankbaar koorwerk, maar wordt zelden uitgevoerd. De componist zelf rekende The Bells tot zijn meest favoriete werken, en het wordt algemeen beschouwd als het beste wereldse koorwerk van Rachmaninov. Componist Rachmaninov dankt zijn reputatie aan zijn vakmanschap, maar vooral ook aan de volstrekt eigen wijze waarop hij het sentiment en het grote gebaar in zijn werk tot uitdrukking weet te brengen. Zijn werk was eigenlijk te romantisch voor de tijd waarin het werd geschreven. Door modernisten die strenger in de leer waren, werd zijn oeuvre om die reden niet zo gewaardeerd, maar bij het publiek is het tot op de dag van vandaag erg geliefd. Sergei Rachmaninov schreef zijn ‘koorsymfonie’ The Bells in 1913, op een gedicht van Edgar Allen Poe. De vier delen van het werk, waarin grote (kerk)klokken een belangrijke rol spelen, verwijzen naar vier fasen uit de cyclus van het leven. Het geluid van de kerkklokken is steeds georkestreerd, dat wil zeggen er worden niet daadwerkelijk klokken bespeeld maar ze klinken in het orkest, prachtig geïnstrumenteerd door Rachmaninov.

In het eerste deel staat geboorte en een nieuw begin centraal, tot klinken gebracht met het geluid van zilveren belletjes. In deel twee begeleiden gouden klokken een bruiloft. In het derde deel komt rampspoed over de mensen. Met het geluid van koperen alarmbellen jaagt Rachmaninov kreten van pijn en geroep om genade naar een dramatisch hoogtepunt. In het slotdeel klinkt een sombere ijzeren klok bij een uitvaart. In de strijkers keert het motief van de bellen uit het eerste deel terug, nu in een somber cis mineur. Uiteindelijk is er gelukkig hoop voor de menselijke ziel, als het werk eindigt in een geruststellend Des groot. The Bells is een symfonie voor groot orkest, maar voor de uitvoering in najaar 2013 (70 jaar na het overlijden van de componist) heeft TKA toestemming van de erven Rachmaninov om een bewerking te maken voor twee piano’s en slagwerk. Rachmaninov bewerkte zelf ook vaak zijn orkestwerk voor handzamer bezettingen; zo heeft hij bijvoorbeeld de Symfonische Dansen op.45 zowel uitgegeven in een versie voor groot orkest als in een versie voor twee piano’s.

“Het geluid van kerkklokken domineerde de steden in Rusland die ik gekend heb: Novgorod, Kiev, Moskou. Kerkklokken begeleiden iedere Rus van zijn kindertijd tot aan zijn graf, en er is geen Russische componist die hun invloed kan omzeilen. Als het mij gelukt is om die kerkklokken met gevoel en menselijkheid in mijn werk tot klinken te brengen, dan is dat te danken aan het feit dat ik het grootste deel van mijn leven te midden van de klanken van de kerkklokken van Moskou heb doorgebracht.” Componist Sergei Rachmaninov (1873-1943) in zijn memoires.

Altijd als eerste op de hoogte?
Schrijf u in op onze nieuwsbrief!

U ontvangt regelmatig programmanieuws en mooie aanbiedingen.
U gebruikt een verouderde browser van Internet Explorer die niet meer wordt ondersteund. Voor optimale prestaties raden wij u aan om een nieuwere browser te downloaden. Hiervoor verwijzen wij u door naar:

browsehappy.com sluiten