Ter gelegenheid van de dubbele prijsuitreiking ging op 27 september Hommage aan Reinbert van zijn vriend en collega Louis Andriessen in première, een verrassingscompositie voor twee ensembles en orkest.
De première van De Staat in november 1976 werd beschreven als een ‘hevige klap met nauwelijks verholen politieke lading’ (Kees Arntzen). Het werk voor de niet gangbare bezetting van twee gelijkwaardige orkesten tegenover elkaar, stelt de relatie tussen muziek en politiek en de invloed van de staat ter discussie: “Ik schreef De Staat als een bijdrage in het debat over de verhouding tussen muziek en politiek. Veel componisten zien hun werk als iets dat op de een of andere manier boven sociale invloeden staat. Ik ben het daar niet mee eens. De manier waarop je muzikaal materiaal arrangeert, de technieken die je gebruikt en het soort instrumenten waar je voor schrijft worden grotendeels gedetermineerd door je eigen sociale achtergrond en luisterervaring, en de beschikbaarheid van financiële ondersteuning”.
In het stuk worden passages dialoog van Plato gebruikt. Andriessen hierover: “Zijn tekst is controversieel in politiek opzicht, misschien zelfs volkomen negatief: Iedereen kan zien dat de uitspraak van Plato dat de Mixolydische toonladder verboden moest worden wegens een kwalijke invloed op de karakterontwikkeling absurd is. Mijn tweede reden voor het schrijven van De Staat is in directe tegenspraak met de eerste: Ik vind het namelijk jammer dat Plato ongelijk had. Was het maar waar dat je via muzikale vernieuwingen de wetten van de staat zou kunnen veranderen!”
“I’m not the one writing my music,” Claude Vivier once said, “perhaps it’s written by the flowers I smelled, a gesture I made, people I saw, the stars, you never know.”
Siddhartha (1976) is een compositie naar de roman van Hermann Hesse over een jongeman op zoek naar spirituele verlichting. Toen Reinbert de Leeuw de muziek van Vivier jaren later leerde kennen, was hij er direct van ondersteboven: “Zijn klankwereld heeft pure magie. Alle instrumenten zingen, alsof er één adem door een stuk gaat.”
Vivier deelt het symfonieorkest op in acht groepen, een benadering die nauw aansluit bij de door De Leeuw zo vurig verdedigde ensemblecultuur.